Gepubliceerd in Volkskrant Magazine op 27 augustus 2016.

Journalist Jan Heemskerk wil elke dag een kilo pulled pork eten, drie liter wijn drinken en toch slank en gezond blijven. Dat gaat dus niet. Het roer moet heel erg om.

JAN HEEMSKERK

Amersfoort, 30 maart 2016

Betreft: voedingsadvies

Beste Jan,

Bijgaand ontvang je het voedingsadvies met een voorbeeld-dagmenu en enkele recepten. Dit advies is opgesteld in aansluiting op ons gesprek, de diverse metingen en het bloedonderzoek. Het advies start met een toelichting over het metabool syndroom in relatie tot de diverse meetwaarden.

(…)

Doelstelling: binnen 2 maanden gewicht 100 kilo of lager, middelomvang lager dan 102 centimeter, bloeddruk 130/85 en aanzienlijk verbeterde bloedwaarden.

Hartelijke groeten,

Wendy Walrabenstein.

Ziedaar de nuchtere neerslag van een bijzonder deprimerend gesprek, enkele dagen daarvoor, op consult bij top-diëtiste Wendy Walrabenstein, die er naast een baan als klinisch diëtist in het VU Medisch Centrum in Amsterdam (ze helpt kankerpatiënten en mensen met ondervoeding door ziekte) een privépraktijk op na houdt voor welvaartsgevallen zoals ik. ‘Voor de afwisseling en omdat ik het leuk vind om mensen te helpen hun leven een positieve wending te geven.’ Vooral mannen, trouwens, want ‘vrouwen zijn veel eigenwijzer en hebben vaak al van alles geprobeerd’.

Een uiterst deprimerend gesprek, dat was het, en dat zeg ik niet lichtvaardig. Ik ging namelijk naar Walrabenstein met een mild maar zelfverzekerd gevoel van zal-wel-loslopen. Een paar weken kalm aan, paar kilootjes er af, zijn we weer helemaal het haantje. Ik had me weliswaar al een jaar niet gewogen omdat ik wel vermoedde dat de uitkomst me niet bijzonder zou bevallen, maar ik had nou ook niet de indruk dat ik bijzonder slecht of bijzonder veel at. En natuurlijk dronk ik in de line of duty weleens een wijntje, een gin-tonic of een ander energierijk stukje alcohol, maar soms ook niet, wel een hele dag of twee, dus ook daar geen grote zorgen.

Tel daar bij op dat ik, althans in theorie, nog altijd actief amateurvoetballer was en tweemaal in de week voor dag en dauw met twee obese buurmannen en gele gewichtjes van anderhalve kilo per stuk een rondje door de polder sjokte… Om te zeggen dat ik geen vuiltje aan de lucht zag, is misschien overdreven, maar ik was voorzichtig positief gestemd.

Totdat ik dus bij Walrabenstein op de weegschaal ging staan: 110,9 kilo! En: buikomvang 113 centimeter! Bloeddruk 152/87! Allerlei alarmerende bloedwaarden! Ik schrok me – echt waar – compleet de tering. Ik was nog nooit zwaarder dan 95 kilo geweest en die buik, die had ik me dus niet ingebeeld, die zat er écht.

Ik kwam als kwieke jonge vijftiger met lovehandles, ik vertrok als lijder aan het gevreesde ‘metaboolsyndroom’ – een optelsom van overtollig orgaanvet, hoge bloeddruk en zorgelijke lever-, bloedsuiker- en cholesterolwaarden. Het was feitelijk een wonder dat ik het die dag nog had gehaald tot Amersfoort, en absoluut kantje boord of ik de terugreis nog zou volbrengen, gezien het aantal aandoeningen waarop je met het metaboolsyndroom een sterk verhoogde kans loopt: hart- en vaatziekten, diabetes type 2 (zichtproblemen, nierproblemen, geamputeerde voeten), diverse soorten kanker, leververvetting, galstenen en – deze had ik al – slaapapneu; een stokkende ademhaling in je slaap vanwege vetweefsel rond de borstkas!

Zo keek ik dus ineens de dood in de lege kassen en ik nam me voor thuis direct de polis voor de levensverzekering te zoeken om uit te vinden of mevrouw Heemskerk het zonder mij kon rooien of dat we het huis beter direct, desnoods met verlies, konden verkopen – je bent een hypochonder of niet. Gelukkig wist Walrabenstein raad en zag ze nog kansen voor een min of meer gezonde en functionele oude dag, zelfs voor deze zondaar. Het Roer Moest Dan Wel Om. Het navolgende is het verslag van de hobbelige weg naar dit nieuw en mager leven, en waarom dat roer omgooien zo eigenaardig lastig is.

Het listige van zo’n Walrabenstein is dat ze tegelijk zowel heel begrijpend als spijkerhard is. Ze denkt mee en is vervolgens meedogenloos. Ze luistert naar je gejammer en verzint een oplossing die – ogenschijnlijk – precies in je straatje past, zodat je geen tegensputterij meer kunt verzinnen. Toen ik bijvoorbeeld tijdens ons tweede gesprek klaagde dat ik als lifestylejournalist zeer regelmatig restaurantrecensies moet schrijven en dat dat behoorlijk lastig wordt op een dieet van linzen, hummus, groentepasta, rauwkost en vleesvervangers (van iets wat de ‘Vegetarische Slager’ heet – horror), kwam ze voor de dag met het boek Vegan Before 6, kortweg VB6, van culinair journalist Mark Bittman (The New York Times). Bittman, destijds 57, kreeg van zijn huisarts te horen dat hij eigenlijk veganist moest worden, want – herkenning, herkenning – ‘I had developed the pre-diabetic, pre-heart-disease symptoms of a middle-aged man who’d spent his life eating without discipline’.

Walrabenstein licht toe: in de Amerikaanse medische wereld van hart- en vaatziekten bestaat maar één soort ‘gezond’ en dat is veganistisch leven. Punt. En voor iedere zichzelf respecterende deskundige geldt ook: diëten is bullshit, want dat verandert op de lange termijn niets aan je eet- en leefgewoonten, dus je komt net zo vlug weer aan. Vandaar dat haar boek Food Body Mind (‘jouw plan voor gezond en lekker leven’) je vooral helder en klaar uitlegt wat je diep vanbinnen allang wist: natuurlijke, vezelrijke en onbewerkte plantaardige producten zijn veel beter voor je gezondheid en zetten je metabolisme veel harder aan het werk, dan bewerkt (junk)voedsel, snelle suikers en dierlijke vetten.

Maar hoe waar dat ook moge zijn, veganistisch (en alcoholvrij) leven is natuurlijk géén leven, niet, tenminste, voor een lekkerbek. Niet voor mij. Hoezeer Food Body Mind ons ook bestookt met schitterende argumenten, onweerlegbare voedingsleer en visioenen van een gelukkiger en mindful leven. En ondanks alle héérlijke recepten (zie verderop de belugalinzensalade) in dit belangwekkende standaardwerk − want dat is het wel degelijk.

Maar die Mark Bittman, dus, smulpaap van beroep, vroeg zich net als ik af: is er geen compromis te verzinnen tussen T-bone en selderijstaaf? Kan het niet een stuk gezonder en slanker zonder eten te degraderen tot vreugdeloos grazen en droefgeestig knagen aan al dan niet vergeten groente? Mag het nog een béétje leuk? En zo kwam hij dus op Vegan Before Six. Het idee: je leeft elke dag veganistisch tot zes uur ‘s avonds precies, waarna je alles mag eten – en drinken – wat God verboden heeft, in termen van rood vlees, alcohol en lege calorieën. Klinkt leuk, nietwaar? Dacht ik ook. Tot ik de zes basisprincipes van VB6 las.

– Eet volop groente en fruit.
– Eet minder dierlijke producten.
– Eet (bijna) geen junkfood.
– Kook zoveel mogelijk thuis.
– Liever kwaliteit dan kwantiteit
– Beschouw je gewicht als niet meer dan één factor van je gezondheid.

Ja, hallo, deze regels hadden ook door een hardcoreveganist kunnen worden opgesteld in plaats van door een corpulente foodie. De vrolijke belofte van het boek – een stukje gezond lijden voor een stukje onbekommerd genieten – wordt per saldo niet of nauwelijks waargemaakt. Uiteindelijk komt het toch weer neer op: alles wat lekker is, is ongezond en moet worden vermeden. En als het echt moet, neem dan 80 gram biologische, magere en regionale kipfilet en één glaasje rode wijn per dag, dan knijpen we een oogje toe. Het schijnt Bittman zelf uiteindelijk wel geholpen te hebben. Daaruit putten we dan maar troost, maar ik vond mezelf behoorlijk zielig, als het zó moest.

Maar ik hol misschien een beetje op de zaken vooruit. Hoe ging het verder eigenlijk met het (niet) diëten? Goed, dank je! Het lukte met gemak dagelijks qua energie-inname onder de 2.000 kilocalorieën te blijven (in plaats van de standaard 3.000 voor mannen van mijn formaat), geen zuivel te gebruiken, niets ‘wits’ te eten (snelle suikers en lege calorieën als witbrood en onvolkoren pasta) en geen varkensvlees aan te raken. Zoals gezegd, ik was me rot geschrokken en doodsangst is een krachtige motivator. Voor even.

Nu geen kutsmoesjes meer

 

Ontbijten met havermout (met rijstmelk) en vruchten? Geen probleem omdat mevrouw Heemskerk die liefdevol klaarmaakte en hij ook best lekker was, met kaneel en hier en daar een rozijntje, en ontbijt toch een prutmaaltijd is die normaal in grote haast moest worden genoten. Lunch met drie bammetjes met groentespread? Te doen, ook in de bedrijfskantine, als je er een plakje kaas of kipfilet op de kale hummus bijlegt. Diner? Easy op de koolhydraten (pasta, rijst, aardappelen et cetera), veel groente en kalm aan met vlees, soms vegetarisch. Ook te doen mits thuis, mits alle tijd voor boodschappen, mits zin om moeilijk eten te koken (waarom zijn groentegerechten toch zo belachelijk bewerkelijk?).

Lastige punten: buitenshuis eten (‘ach, ober, doet u mij maar de bulgursalade, met vinaigrette on the side, en zonder parmaham’) en natuurlijk vooral drinken, binnen en buitenshuis (‘Heeft u ook een bijpassend thee-arrangement?’). En afvallen? Mondjesmaat. Onsje voor onsje, en af en toe weer een terugval van een pond. Tegen begin augustus stond de inderhaast aangeschafte weegschaal rond de 102 kilo, niet slecht, maar ook niet onder de 100, zoals al eind mei de bedoeling was. Een frustrerende zaak, temeer daar het op het andere front – beweging – ronduit goed ging. Dit mede dankzij het volgende boek dat Walrabenstein mij in haar oneindige geduld en wijsheid bij ons derde gesprek ter hand had gesteld – haar enige en onvervangbare exemplaar van Zen Habits, Mastering The Art of Change, door Leo Babauta, ‘gewone gozer’ uit Guam, schrijver, vader van zes kinderen en woonachtig in San Francisco.

Want Leo wilde een jaar of tien geleden stoppen met roken en elke dag vijf kilometer gaan lopen. Dat lukte hem niet. En hij ontdekte ook waarom. Zijn theorie: we hebben als verwende welvaartsmensen allemaal een Hollywoodachtig irreëel ideaalbeeld van ons leven in ons hoofd. Van hoe het zou moeten werken en wat we ons straffeloos zouden moeten kunnen veroorloven. Bijvoorbeeld: elke dag een kilo pulled pork eten, drie liter wijn drinken, laat naar bed gaan en tóch slank en gelukkig blijven, twaalf uur werken en vele vrouwen bezitten, die dat ook allemaal prima vinden. En we zijn kinderlijk teleurgesteld als ons leven iets minder glamoureus en gesmeerd verloopt dan volgens dit fraaie plaatje. We kunnen slecht overweg met tegenslagen en verdragen weinig pijn. We leven dus permanent in een staat van verongelijktheid en zelfmedelijden. En we stellen ook nog eens alles uit tot het laatste moment – tot zover tien punten voor herkenbaar en diep gênant.

Hierbij komt: ons kinderachtig en verongelijkt brein is ook terminaal ongemakmijdend en heeft een onuitputtelijk reservoir aan kutsmoesjes paraat om te voorkomen dat we tegengas geven en iets gaan ondernemen om ons leven te beteren – zoals stoppen met roken en elke dag vijf kilometer lopen. En dat kinderachtige brein is sterk: onze motivatie is er niet tegen opgewassen en we geven dan ook bij de eerste de beste tegenslag de moed al zuchtend op (Brein: ‘vijf kilometer is veel te ver’, ‘het regent, blijf toch lekker liggen’, ‘oma is ook 98 geworden en die rookte als een ketter’, et cetera, et cetera).

Maar Babauta zou geen goeroe zijn geworden als hij niet ook hiervoor een oplossing had bedacht. Ik vat samen. Maak eerst de uitdaging zo klein dat het kinderachtige brein hem totaal over het hoofd ziet en je niet tegenhoudt: loop bijvoorbeeld geen vijf kilometer, maar honderd meter. Doe dus liever een minuscule stap dan helemaal geen stap. Want beweging is altijd beter dan stilstand, en schept bovendien opnieuw beweging. Anders gezegd: de kans dat je ‘m haalt, die honderd meter, is enorm, en de kans dat je er de dag daarna tweehonderd van maakt, is ook aanzienlijk. Daar komt bij: je hebt nu een positief gevoel over jezelf, je hebt iets gerealiseerd, hoe onbeduidend ook, in plaats van dat je hebt gefaald. Een belangrijke stap, zoals ik ook ontdekte toen ik – bevrijd van dwang en negatieve stress – steeds vaker en verder door de polder dwaalde.

Maar er is meer. Heb je dan het kinderachtige brein eenmaal gefopt, probeer dan je nieuwe gewoonte, want die heb je dan dus gecreëerd, in plaats van een last als iets leuks te zien (ja, dat is óók mindfulness, sorry). Wandelen we weer even door de polder: na drie maanden liep ik toevallig wél elke dag, nou oké, vier dagen in de week, vijf kilometer, en dan ook nog zonder pijn in mijn knieën, met meer kracht in mijn armen (die eerste keer dat ik mijn zoon van 12 weer boven mijn hoofd wist te tillen, was griezelig magisch) en meer lucht in mijn longen. Bovendien zag ik de zon opgaan, de herten op het pad en voelde ik ineens de aandrang om te gaan joggen, want, ja, waarom, nou daarom. En dus deed ik het ook maar. De gewoonte nam me over en pats, ik had iets blijvend en constructief aan mezelf veranderd. Een wonder!

Goed boekje, dus. Zen Habits staat vol met tips en trucs om je nieuwe gewoonten vol te houden (opschrijven, ambities formuleren en delen met anderen, bezigheids- in plaats van resultaatgericht zijn) en van nóg meer slechte af te komen (je slechte gewoonten kritisch observeren in plaats van te gehoorzamen, angst in de ogen kijken, zie verder: zenhabits.net). Maar wat mij overtuigde, is de babysteps-meets-mindfulness-methode om beetje bij beetje mijn eigen kinderachtigheid te slopen en me de kans te gunnen iets anders, beters te proberen en te kijken of dat misschien behalve gezonder ook lekker is.

Want dat is – weet ik nu ik een maand of vijf op weg ben – het moeilijkst. Die innerlijke weerstand het hoofd te bieden. Accepteren dat er geen makkelijke oplossingen, geen shortcuts, geen wondermiddelen zijn. En geloven – jezelf overtuigen – dat er aan de andere kant van het probleem iets beters ligt, ook al kun je je dat niet voorstellen. Zo weet ik nu bijvoorbeeld zeker dat er inderdaad geen ruk aan is om niets te drinken op feestjes, wat de ‘je-kunt-het-toch-ook-leuk-hebben-zonder-drank’-maffia ook beweert.

En dat is pech hebben, want toen ik Walrabenstein voor de vierde en recentste keer sprak, wisten we het probleem van het trage afvallen, het probleem van álles, de schepping en het universum terug te brengen tot twee oorzaken: alcohol en (olijf)olie. Die hebben namelijk gemeen dat ze buitenproportioneel rijk aan calorieën zijn. En een belangrijk deel van mijn dieet uitmaken. Nu valt dat met olijfolie op te lossen door er niet als een malle mee in het rond te gieten, zoals ik achteloos pleeg te doen, geen probleem, gewoon even een weet. Met alcohol stoppen of minderen, echter, dat zijn twee opties die mijn zwaar getergde kinderachtige brein tot de dag van vandaag categorisch afwijst. Maar goed. Baby steps, baby steps, en zo teut ik voorzichtig met kleine lepeltjes olie (waar bakken die vega’s in?), en is thuis tweemaal in de week een alcoholvrije dag ingelast. Ik maak mezelf nu al mindful wijs dat ik op die dagen beter slaap, me energieker en gezonder voel en mogelijk tòch niet voor mijn 60ste de pijp uitga. Zucht.

Resumerend en concluderend stel ik vast dat er de volgende zinnige dingen vallen op te merken over afvallen, bewegen en de magere levensstijl in het algemeen. Het best bewaarde geheim is dat het heel lang duurt om gezond te leren leven, dan nooit meer ophoudt, het hard werken en een tijdrovende business is en blijft. Tevens is het geestelijk uitputtend altijd nee te zeggen tegen alles waar je met je hele hart ja tegen wilt zeggen, en die uitputting is letterlijk: afvallen en gezond zijn, is slopend. Ook als je, zoals ik, de rekkelijkheid van het babysteps-concept tot de uiterste grenzen van vergevingsgezindheid test.

Het goede nieuws is dat je dus gezonder wordt. Afvalt. Sport en gezond eet en daarvan met enige regelmaat toch geniet (wie had gedacht dat appel-bieten-wortel-gembersap ooit zou smaken als een delicatesse en je op het werk de hele dag van harte kruidenthee drinkt). Veel boeken leest, omdat je het huis uit angst voor verleiding nooit meer uitkomt. In plaats van een sociaal leven lekker veel tijd hebt voor gezin en werk. En dus, gemiddeld genomen, minder snel dood gaat aan één of meer van de akelige aandoeningen die ik aan het begin van dit relaas zo sinister opsomde. Gevraagd naar mijn ambitie zeg ik nu graag: dit is de laatste keer dat ik ervoor ga, de laatste keer dat ik denk dat de opbrengst (in leven blijven in goede gezondheid met voldoende energie) nog opweegt tegen de nadelen: een teringsaai, regelmatig en huiselijk leven. Maar dat is mijn kinderachtige brein.

Ik vermoed dat Walrabenstein nog niet van me af is.

Share this....

Deel dit met je vrienden!